Naast opera's en symfonische gedichten, schreef Moussorgsky ook een aantal liederen-cycli, zoals 'De Kinderkamer'. Dit werk, geschreven tussen 1868 en 1872, droeg hij op aan Aleksandr Dargomyzsjki, "een groot man die mij de muzikale waarheid heeft onderwezen". Jarenlang was hij de enige die Moussorgsky steunde en aanspoorde om op de ingeslagen weg door te gaan. Zonder hem was 'De Kinderkamer' wellicht nooit geschreven.
Hoewel zelf vrijgezel, maakte Moussorgsky van deze zeven kinderportretjes ontroerende juweeltjes. Hij vertelt over de kleine gebeurtenissen in een kinderleven:
Met het kindermeisje Vertel me, lieve njanja, over die verschrikkelijke boeman, hoe hij door de bossen zwierf en kleine kinderen ontvoerde in het woud, en op hun wit gebeente knaagde, en hoe die kinderen schreeuwden en huilden? Njanja! Die boeman heeft ze opgegeten omdat die kinderen brutaal waren geweest tegen hun kindermeisje en niet naar hun vader en moeder hadden geluisterd, ja toch, njanja? Nee toch niet: vertel me liever over de koning en zijn koningin die ver weg wonen in een prachtig paleis. De koning struikelt steeds over zijn eigen been en dan staat hij weer op, zoals een paddestoel. De koningin kijkt altijd kwaad en als ze niest rinkelen de ruiten! Weet U, njanja, vertel me maar niet over de boeman, in hemelsnaam! Vertel me maar liever iets om te lachen!
In de hoek Foei, stoute jongen die je bent! Mijn hele kluwen is in de war, de breipennen zijn eruit! Verdorie! Alle steken zijn gevallen! M'n breikous zit vol met inktvlekken! Ga in de hoek staan! In de hoek! Vooruit wat! Stoute jongen! Ik heb niets gedaan, njanja, ik ben niet aan je breikous geweest, njanje! De poes heeft je kluwen in de war gemaakt, en je breipennen zoekgemaakt, heeft de poes ook gedaan. Misjenka is zoet geweest en heeft geen domme dingen gedaan. Maar ouwe njanja doet lelijk, njanja heeft een pukkel op d'r neus. Misja is schoon en heft gekamde haren, maar njanja's muts staat scheef. Njanja is brutaal geweest tegen Misjenka, ze heeft hem voor niets in de hoek gezet. Misja houdt niet meer van njanja, lekker puh!
De meikever Njanja, njanjoesjka! Moet je horen wat er is gebeurd! Ik zat daar in het zand te spelen, achter het prieeltje bij de berkenbomen. Ik was een hut aan het bouwen van de wilgentakken, die mama speciaal voor mij had gesneden. De hut was al helemaal af, met een dak erop, een echt huisje. En weet je wat er toen gebeurde: er zat een meikever op het dak, zo'n hele dikke, zwarte. Hij wiebelde met zijn voelsprieten en zat me recht aan te kijken! Ik schrok me een hoedje! De meikever begon nijdig te zoemen, hij spreidde zijn vleugels uit alsof-ie me wilde pakken. Hij vloog op en raakte me op mijn voorhoofd! Ik heb me verstopt, njanjoesjka, ik ben heel stilletjes blijven zitten, ik durfde alleen maar door een spleetje van één oog te kijken! En weet je, moet je horen, njanja: daar lag de meikever, met zijn pootjes gevouwen, op zijn rug met zijn neus omhoog, en hij deed helemaal niet meer dreigend, hij wiebelde niet meer met zijn voelsprieten en zoemde niet meer, alleen zijn vleugeltjes trilden nog! Is-ie dood of doet-ie maar alsof? Wat is er toch met de kever gebeurd, Njanja? Hij heeft mij geraakt en is zelf neergestort! Wat is er toch gebeurd met die meikever?
Met de pop Tjapa, suja,suja, tjapa, ga maar lekker slapen. Tjapa, je moet gaan slapen! Ga toch slapen, Tjapa! De boeman komt je opeten, de grijze wolf komt je halen en neemt je mee naar het donkere woud. Ga nu slapen, Tjapa. Dan kun je me vertellen wat je in je droom hebt gezien: het betoverde eiland waar ze niet zaaien en niet oogsten, waar sappige peren bloeien en rijp worden, waar dag en nacht gouden vogels zingen. Suja, suja,sujaja, Tjapa.
Voor het slapen gaan Heer ontferm U over papa en mama en wees hen genadig, Heer! Heer ontferm u over mijn broertjes Was'enka en Misjenka. Heer ontferm u over mijn oude omaatje, geef dat ze gezond blijft, mijn lieve oude omaatje. En wees genadig tante Katja, tante Natasja, tante Masja en tante Parasja, en m'n tantes Ljoeba en Warja en Sasja en Olja en Tanja en Nadja en mijn ooms Petja en Kolja en Wolodja en Grisja en Sasja, wees ze allemaal genadig en ontferm U over hen. En ook over Filka en Wanjka en Mitka en Petka en Dasja en Sonja en Doenjoesjka. Njanja, ach njanja! Wie nog meer, njanja? Foei toch, stoute meid! Hoe vaak heb ik je dat al geleerd: Heer, ontferm U ook over mij, want ik heb gezondigd! Heer, ontferm U ook over mij, want ik heb gezondigd! Is het zo goed, njanja?
Matroos, de kat Au au au, mama, lieve mama! Ik was op zoek naar de parasol, mama, het was zo heet, ik was aan het zoeken in de ladekast en in de tafella, maar ik kon hem niet vinden, alsof het zo moest zijn! Toen liep ik haastig naar het raam, misschien had ik daar mijn parasol vergeten... En toen: ik zag Matroos de kat, hij zat boven op de vogelkooi voor het raam, met zijn klauwen uitgestoken! De sneeuwduif zat bibberend in elkaar gedoken in een hoekje te piepen. Ik werd woedend! Dat lijkt je wel wat, zo'n vogeltje! Nee hoor! Wacht maar, ik zal je leren, kat! Ik bleef staan alsof er niets aan de hand was, ik keek uit mijn ooghoek, en weet je wat zo raar was? De kat zal heel rustig naar me te kijken en stak ondertussen zijn poot in de kooi, hij had de sneeuwduif haast te pakken... maar toen heb ik hem een dreun gegeven! Mama, wat is die kooi hard, mijn vingers doen er pijn van, mama, mama! Hier, precies de topjes, het doet zo zeer, zo zeer! Nee! Zo zijn katten nou eenmaal, of niet, mama?
Met het stokpaardje Hop, hop, hortsik, hortsik! Toe maar, vooruit, hortsik! Hop, hop, hortsik! Stop! Wasja, hé Wasja! Kom je spelen vandaag, maar kom je niet zo laat? Hop jij, vooruit! Tot straks, Wasja! Ik ben naar Jukki geweest, maar ik moet beslist op tijd thuis zijn want we gaan vroeg naar bed. Kom nou! Tatatatatatatata! Hortsik! Tatatatatatata! Vooruit! Hortsik! Au au, het doet pijn! Au mijn been! Serzjinka, wat heb je? Hou een op met huilen, het gaat wel weer over. Ga eens even recht op je been staan, goed zo, jongen. Kijk eens wat mooi, daar links, in de struiken? Wat een mooi vogeltje! Wat een mooie veren heeft het! Zie je hem? Hoe is het met je been? Het is weer over! Ik ben in Jukki geweest, mama, en nu moet ik naar huis, ik moet opschieten... Hop, hop! We krijgen bezoek! Hop! Ik moet opschieten!