In deze aflevering iemand met wie we de afgelopen maanden al uitgebreid kennis hebben kunnen maken. Goedlachs en een feestnummer bij uitstek, behalve als het om repetities gaat. Dan dient er, om een zo goed mogelijk resultaat neer te zetten, gewerkt te worden. Natuurlijk heb ik het over onze nieuwe dirigent: PIERRE VOLDERS. Tijdens het najaarsconcert kwam hij swingend zijn entree maken, waar niemand omheen kon. Het nodige werd al over hem gepubliceerd, maar was dat wel een volledig beeld? Hoogste tijd dus voor een diepte-interview.
Pierre werd geboren op 2 mei 1972 te Breda. Op 6-jarige leeftijd werd hij lid van de muziekvereniging Sint Joris te Dorst en kreeg zijn eerste muzieklessen op euphonium van Michael Woldinga, die hem zes jaar later ook wegwijs maakt op trombone, en wordt vervolgens lid van het Nationaal Jeugd Fanfare Orkest. Na de middelbare school wordt Pierre aangenomen op het Rotterdams Conservatorium om zich verder te bekwamen in het hoofdvak trombone en het hoofdvak HAFA-directie, alwaar hij in 1998 cum laude afstudeert. In hetzelfde jaar wordt hij bij ditzelfde conservatorium benoemd tot hoofdvakdocent en leidt hij samen met zijn voormalige docent George Wiegel en Jörgen van Rijen de tromboneklas. Hij dirigeerde verscheidene jeugdorkesten, alsmede het Zomer Orkest Nederland en was gedurende zes jaar dirigent bij de muziekvereniging “Harmonie” te Slikkerveer.
Je bent al heel jong begonnen. De meeste kinderen zijn acht jaar als ze naar AMV-les gaan. Jij was zes en begon meteen op euphonium. Hoe kwam je daar toe?
Mijn vader was lid van de fanfare St. Joris en ook bestuurslid, je zou kunnen zeggen: een soort Frits. Hij kwam van de tijd dat ik kon lopen met van alles aandragen: bekkentjes, namaaksaxofoons en nog veel meer. Al spoedig liep ik mee in de fanfare. Omdat ik per se een instrument wilde bespelen kreeg ik op een goed moment een bariton in mijn handen gestopt, want die waren het hardst nodig. Een heel kleine, natuurlijk. De allereerste lessen kreeg ik van mijn vader, die speelde zelf saxofoon. Dat had wel tot gevolg dat ik bepaalde dingen verkeerd aanleerde, maar later kwam dat goed, toen ik privé-les kreeg van Michael Woldinga.
Als je 12 bent, ga je trombone spelen. Waren je armen toen al lang genoeg om dat instrument te bespelen?
De meeste trombones hebben een kwartventiel. Hiermee kun je niet alleen een aantal tonen spelen in het lage register, maar je kunt ook lage posities verschuiven naar hoge posities, zodat je armen altijd lang genoeg zijn.
Wat betekende het Nationaal Jeugd Fanfare Orkest voor je?
Dat was ontzettend leuk. Om auditie te doen ging ik met mijn vader naar Utrecht. Voor de dirigent en de commissie van het orkest heb ik moeten voorspelen en werd meteen aangenomen. Als 13-jarige was ik de jongste van het orkest (gemiddelde leeftijd 16 jaar) maar er was een groot tekort aan baritons. In het begin was het wel een moeilijke tijd: de orkestleden kwamen voornamelijk uit Friesland, Groningen en Drenthe. Ik was de eerste Brabander en verstond niets van al dat Gronings en Fries. Intussen heb ik dat goed geleerd net als het snel lezen van muziek. Vrijdagavond kreeg je de muziekstukken en zaterdagavond was het concert. Er werden heel wat nieuwe stukken geschreven, die dan snel moesten worden voorgespeeld of voor de radio worden opgenomen. We hebben ook cd-opnames gemaakt en niet te vergeten de tournees naar Amerika en Canada. Ik heb er acht jaar gespeeld, waarvan de laatste vier jaar als trombonist.
Moest je op het conservatorium zitten om er bij te komen?
In principe niet. Jaarlijks worden nieuwe leden gezocht. Vanaf circa 15 jaar kun je auditie doen, zodra je een niveau hebt van het C-diploma. Naast het N.J.F.O. (Nederlands Jeugd Fanfare Orkest) bestond ook het N.J.H.O. Dat is dus een harmonieorkest. Je repeteert altijd in de weekeinden. Indertijd hadden we elke maand een repetitieweekend van vrijdagavond tot zaterdagavond en bijna altijd een concert er achteraan, bijv. op een dirigentendag of voor dirigentenexamens. In de zomervakanties ging je één of twee weken ergens naartoe. Het was een heel leuke tijd, ik kan het iedereen wel aanraden.
Op het conservatorium gaat het serieuze werk beginnen: George Wiegel brengt je de fijne kneepjes bij van het hoofdvak trombone. Ook het in de muziekwereld niet onbekende trio Jaap Koops, Jos van der Sijde en Arie van Beek (zie interview oktober 1999) leiden je op voor het hoofdvak HAFA-directie. Waren zij strenge leermeesters?
Zeker niet, de strengste is eigenlijk Arie van Beek. Hij is het meest precies qua dirigeren. Van Jos heb ik in het begin eigenlijk maar één jaar les gehad in slagtechniek. Van Jaap had ik samen met Willem van Zee (dirigent van Concordia) les voor het hoofdvak. Dat was behalve veel stukken luisteren en dirigeren, veel lachen en koffie drinken, kortom: vaak dolle pret.
Als je op 26-jarige leeftijd cum laude afstudeert, heb je al een aantal belangrijke feiten op je naam staan, waaronder een finaleplaats op een belangrijk concours in New York. Hoe kwam je daar terecht?
Als eerstejaars van het conservatorium richtten we een trombonekwartet op. We repeteerden veel, deden optredens en maakten een cd. Op een dag zag ik een poster hangen van een concours met o.a. een optreden in Carnegie Hall in New York. Er werden prachtige prijzen beschikbaar gesteld, dus besloten we om in te schrijven. We hebben een bandje opgestuurd en werden uitgenodigd. De vliegtickets konden we via het conservatorium regelen en we boekten een hotelletje in Chinatown. Het bleek dat we de enige blazers waren van de 320 deelnemers. De anderen waren violisten, pianisten en zangers. Na het eerste optreden bleven er 80 deelnemers over en na nog een optreden nog negen. Nu moesten we om de finaleplaats spelen, maar we zagen de bui al hangen: dat konden we nooit winnen. Er was te weinig goed repertoire voor ons: Mozart en Haydn hebben helaas niets voor ons geschreven. We hebben fantastisch gespeeld, maar zijn niet in de prijzen gevallen. Het was een geweldige ervaring en hiermee bewijs je toch dat je met blaasinstrumenten heel ver kunt komen op een internationaal concours.
Op dit moment “doe” je veel opera. Hoe ervaar je dat?
Opera is over het algemeen erg leuk om te spelen. Er gebeurt nl. altijd heel veel op en onder het toneel (=orkest). Helaas duren sommige opera’s soms wel vijf uur. Daar krijg je dus meer een zere kont van dan zere lippen. Het is plezierig omdat je vaak met topdirigenten speelt, die alles in de hand hebben. Een nadeel is, dat je altijd in de orkestbak zit. Het speelt moeilijk en je zit er, wat het publiek betreft, een beetje verloren bij.
Welke soort muziek spreekt je het meeste aan?
Eigenlijk houd ik van bijna alle muziek. Waar ik het meest naar luister, en de meeste cd’s van koop, is toch wel jazz, funk en soul. Wat ik de laatste tijd ook erg leuk vind, zijn die echte oude bigbands, zoals van Frank Sinatra en Tommy Dorsey. En (grinnikend) ik drum zelf ook. Sinds 1½ jaar heb ik drumles. Voor het merendeel luister ik naar lichte muziek. Van de die mij het meest aanspreekt.
En wie inspireert je het meest?
Wat trombonisten betreft: vooral die van de vorige eeuw, zoals Jacky Teagarden en Tommy Dorsey. Als je die mensen hoort spelen: die hebben een fabelachtige techniek qua ademhaling en schuiftechniek. In een laatst uitgezonden documentaire met Frank Sinatra vertelde Sinatra dat hij speciaal naar Tommy Dorsey ging om zijn ademtechniek te verbeteren. Natuurlijk zijn er ook trombonisten van deze tijd die me enorm aanspreken, bv. de Franse trombonist Michel Bequet. Op het conservatorium is hij een regelmatige gast. Bij hem had ik wel heel graag een jaartje willen studeren.
Wat is je sterkste muzikale punt?
Het is moeilijk van jezelf te zeggen “waar ben ik nou het beste in”. Eigenlijk ben ik nooit tevreden. Ik wil altijd een positieve drijfveer hebben om zo mooi en zo goed mogelijk te spelen. Daarom geef ik niet gauw op in de muziek. Dat geldt natuurlijk ook voor het dirigeren.
Gedurende twee jaar heb je het Zomer Orkest Nederland gedirigeerd. Heb je daar bijzondere dingen mee beleefd?
Dat waren sowieso hele mooie weken, vooral de repetitieweekeinden. Helaas had ik in het eerste jaar een nare ervaring, omdat toen het ongeluk gebeurde met de Hercules. Behalve veel bekenden, kwam ook een slagwerker om uit het zomerorkest. We hebben bij zijn uitvaart gespeeld, dat was heel indrukwekkend. Het is fijn om met het Z.O.N. te werken. Al die mensen komen uit puur fanatisme op die repetitieweekeinden. Iedereen heeft vakantie, dus het is één groot feest. Als je de kans krijgt om zoiets te doen, kan ik dat van harte aanraden. Het is een strakke organisatie. Zes mensen zijn er het hele jaar mee bezig. Zij zorgen dat alle concerten goed geregeld zijn en ook de contractafspraken. Je bent altijd met twee dirigenten. Iedere dirigent staat twee jaar voor het orkest; het eerste jaar loop je dus stage bij de dirigent die het vorig jaar al heeft gedirigeerd. Dat is een goed systeem. Je dirigeert twee concerten per dag en dat is behoorlijk zwaar voor de dirigent.
Inmiddels sta je alweer ruim drie maanden voor “Crescendo”. Wat deed je besluiten om de leiding van Jan Jansen over te nemen?
Het is voor mij de eerste keer dat ik voor zo’n groot harmonieorkest terecht ben gekomen. Toen Jan mij vroeg, moest ik er wel over nadenken. Bij de andere vereniging had ik het ook goed naar mijn zin. Toch sprak het me wel aan, “Crescendo” is een goede vereniging en Jan had e.e.a. al aardig op poten gezet. Je hoefde niet meer bij het begin te beginnen en dat is voor dirigenten zeer prettig om mee te maken. Dus heb ik uiteindelijk ja gezegd.
Valt het mee om na het succesvolle “tijdperk Jansen” deze club onder je hoede te nemen?
Ja en nee. Jan en ik zijn totaal verschillende muzikanten, zeker wat betreft dirigeren. Jan heeft in die 16 jaar een heel mooi orkest gevormd, maar wat betreft het koper, en dat zegt hij zelf ook, zijn er ook dingen blijven liggen. Ik ben een heel andere dirigent. Bovendien moet je elkaar leren kennen, dus is het belangrijk te kijken hoe je daartussenin gaat zitten. Moeilijker vond ik het om vast te stellen wat voor programma je gaat spelen. Dat is op dit moment voor het orkest aan de lichte kant, maar nu blijkt wél waar de zwakke punten zitten. Een voordeel is dat ik tegelijkertijd ben aangetreden met de nieuwe voorzitter. Dan begin je beiden met een schone lei.
Denk je dat je in staat bent om “Crescendo” op een nog hoger plan te brengen?
Je hebt zoveel potentieel in het orkest: jonge mensen, die allemaal nog moeten groeien. Er wordt momenteel aan gewerkt om een extra orkest in de jeugdafdeling te brengen, zodat de doorstroming voor die jeugd wat soepeler gaat lopen en ze niet in een diep gat valt. Dat moet zeer zeker lukken.
Hoe zie je de toekomst van de club en wat zijn daarin jouw plannen?
Heel rooskleurig. Mijn plannen zijn om de club op de eerste plaats leuk te houden en om nog wat meer niveau te krijgen. Wel ben ik van mening dat we wat meer concerten moeten geven, want twee concerten per jaar vind ik wel een beetje weinig.
Naast alle diploma’s en ervaring behaalde je ook nog het Groot Diploma Directie i.s.m. de Marinierskapel. Zou je ooit voor een dergelijk beroepsorkest willen staan?
Voor mij hoeft dat niet zo. Militaire orkesten zijn mooie orkesten, maar ze staan altijd onder het gezag van enkele hogere officieren, die helemaal niets met muziek hebben. Voor hen is het belangrijk dat alles er mooi uitziet, dat het blinkt. Een dirigent heeft dan ook niet de algehele leiding, ook al is hij directeur van het orkest, en dat is jammer. Een aardig voorbeeld is: mijn oude leraar speelde bastuba in een militair orkest. Op een gegeven moment vroeg één van de officieren of de schuiven van de trombones niet gelijk konden bewegen... dan vraag je je af waar die man mee bezig is.
Dus als ik ooit voor een beroepsorkest zou willen staan, zou ik toch de symfonische kant op gaan.
Even wat nadere uitleg: het grootdiploma is bedoeld om een beroepsorkest te dirigeren, eigenlijk het diploma Uitvoerend Musicus (UM). Er bestaat ook een klein diploma, oftewel praktijkdiploma: dat doe je met het harmonieorkest van het conservatorium.
Wat zou je zijn geworden als je niet in de muziek was gegaan?
Daar heb ik wel eens over nagedacht. Ik zou het niet weten. Op de middelbare school bleek dat ik maar één ding kon: dat was gewoon de muziek. Ik móest wel naar het conservatorium, anders had ik een groot probleem. Wellicht was ik anders in de techniek terechtgekomen. Elektrotechniek of zoiets.
Pierre, ik kan je verzekeren, dat Crescendo blij is, dat de Technische School aan je is voorbijgegaan.